|
Een Bourrée van J.S. Bach
Welkom bij de tweede les over notenlezen. In deze les maken we een sprong in je gitaarervaring.
We gaan de eerste maat van de Bourrée van J.S. Bach spelen. Voordat we echter zover zijn zullen
we het stuk eerst eens ontleden.
NB. Ik ga er van uit dat de kennis van de eerste les aanwezig is. Je moet een noot kunnen
benoemen en je moet kunnen achterhalen waar een noot zich op de hals bevindt.
NB2. Voordat je van les 1 aan deze les toe bent ben je in de praktijk echt wel een half jaar
verder (conservatorium studenten uitgezonderd natuurlijk... maar die hebben dan ook de hele
dag de tijd om te oefenen ;-).
NB3. Voor alle duidelijkheid, als ik spreek over de eerste snaar dan bedoel ik de dunne E (dus
van bovenaf gezien de onderste. De zesde snaar is dus de dikke E (de bovenste).
Gaat het je allemaal te snel beperk je dan tot les 1 en oefen daar uitvoerig mee.
Laten we beginnen met de gehele eerste maat:

We beginnen vooraan en zullen langzaam naar het eind toewerken. We ontleden nu de eerste
belangrijke zaken:

We zien dat de notenbalk de G-sleutel heeft. Dat is prettig want die kennen we uit de vorige les.
Er staat een kruis aan het begin van het stuk op de positie van de F. Dit houdt in dat de F gedurende
het gehele stuk verhoogd (dus een F#) is. Als de componist nu wel een 'gewone'
F zou willen noteren dan gebruikt hij / zij het herstellingsteken (zie de eerste les). Voorlopig geldt
echter voor ons dat we overal een F# moeten lezen.
Het teken in de donkergroene omranding is nieuw voor ons. Dit teken houdt in dat het muziekstuk in
een vierkwartsmaat staat. Vier tellen per maat dus. Aangezien deze maatsoort in onze westerse wereld
zo gebruikelijk is bestaat er deze aparte notitie (met de C voor 'common' = gebruikelijk) voor.
We weten nu dus de maatsoort en de toonsoort (NB. de exacte definitie van een toonsoort wordt nog uitgelegd
in een volgende les, voorlopig gaan we eerst spelen).
Op naar de volgende stap.

Voordat we de kennis van les 1 herhalen kijken we eerst even naar de met rood omrande 2. Dit is een
voorstel van degene die deze bladmuziek geinterpreteerd heeft. Hij / zij wil hiermee zeggen dat het volgens
hem of haar handig is als je voor het spelen van deze noot vinger 2 van je linkerhand (bij
rechtshandig spelende gitaristen!) gebruikt.
Vinger 2 is je middelvinger. Om deze analogie door
te zetten, je wijsvinger is nummer 1, ringvinger = 3, pink = 4.
Onthoud dat dit een voorstel is, je kunt het helemaal zelf bepalen maar vaak is de voorgestelde vingerzetting
ook wel de eenvoudigste. Onthoud ook dat niet meneer Bach dit hier heeft gezet. In zijn tijd speelde men op
de luit en was er niet een gitaar zoals wij die nu kennen. Het is hier gezet door iemand die dit stuk heeft
geinterpreteerd en laten publiceren.
Dan nu de herhaling van oude stof; we identificeren de onderste noot van het bovenstaande figuur
als een G. Deze bevindt zich op de
derde positie van de lage E-snaar (de zesde oftewel de dikke). De bovenste noot is een E en dat is de open E snaar
(de eerste oftewel de dunne).
Hier hebben we dan onze eerste houding gevonden. De middelvinger (2) op de derde positie en een open hoge E. Als
we ze nu tegelijkertijd aanslaan spelen we de eerste noten van de Bourrée van Bach. Het is zo simpel ;-)
NB. merk op dat je middelvinger zoals voorgesteld (met die 2) eigenlijk best logisch staat. Je zou bijvoorbeeld
heel eenvoudig een G akkoord kunnen pakken. Geen slecht voorstel dus :-).
We hebben de gang erin dus snel door naar de volgende noten!

Dit ziet er makkelijk uit, zowel boven als onder een F .. oeps, denk aan de toonsoort, een verhoogde F dus een F#.
Deze zit op de tweede positie van zowel de bovenste als de onderste snaar. Ook hier geeft de schrijver een
voorstel, dit keer in de vorm van een verticale streep (rood omrand). Hiermee stelt de schrijver voor om
deze noten in een barré te pakken. Voor degenen die geen barré kennen: Een barré is je vinger plat over alle snaren.
Als we een barré op de tweede positie op de hals leggen dan is dit weer geen slecht voorstel. Eén vinger gebruikt
voor alle noten, die schrijver heeft er blijkbaar verstand van. Ook deze twee noten slaan we tegelijkertijd aan.
NB. Aan het eind zullen we de juiste timing doornemen en er echt een muziekstuk(je) van maken!
Dit gaat lekker! Op naar de volgende stap.

Ja, hier staat wat rommel. De 1) en het sterretje verwijzen naar een andere passage in het muziekstuk waar
een leuk alternatief staat maar voor deze les moet je dat maar vergeten. Wel leuk om te vermelden is het
teken dat tussen de haken staat (rood omrand). Dit teken geeft aan dat je de noot kunt versieren door
er een legato combinatie van te maken met de volgende noot van de toonladder.
(hooo! legato dat is in hardrockgitaristentaal.. gebruik pull off's en hammer on's)
Dit klinkt vast erg ingewikkeld maar in
de praktijk zou dat hier betekenen dat je de G volgt met een 'hammer on' op de A, gevolgd door een 'pull off'
naar de G en dat in de tijdsduur van de originele G. Mmmm, dit zijn van die momenten waarop geluidsvoorbeelden
wonderen kunnen doen ;-) Neem het voorlopig maar van me aan, voor ons is het nu niet belangrijk.
Wij laten de versiering achterwege en slaan tegelijk de onderste E snaar aan (open positie) en pakken de
G met de middelvinger op de hoge E snaar in de derde positie (want dat had je natuurlijk al gezien).
Ah. nu volgt een interessant stukje wat de gitaar zo uniek maakt.

Ik neem aan dat je de noten voor het rood omrande vak hebt ontleed als zijnde een A (open
vijfde snaar) en een F# (tweede positie op de eerste snaar). Dit was bekend maar bij de
volgende noot zien we wat nieuws.
Op zich is de rood omkaderde noot na ontleding een gewone E. Zoals we geleerd hebben is dit een open eerste snaar.
Maar waarom stelt de schrijver dan voor die noot met de pink te pakken?
De verklaring hiervoor is eenvoudig. Deze noot bevindt zich ook op de tweede snaar. We pakken de oude les er nog
even bij en gaan op de B snaar (de tweede snaar) op zoek naar de gezochte E.
De afstand van een B naar een E is vijf halve noten namelijk: B - C - C#/Db
- D - D#/Eb - E. De noot zit dus ook op de vijfde positie van de B snaar! Even kijken
of dit ook voor de G snaar (de derde) geldt. De derde snaar is een G, de afstand van G naar E is
9 halve noten (ga dit zelf na). De negende positie op de G snaar is dus een E. Zo vindt je dezelfde
noot dus al 3 keer terug op verschillende snaren. Dit is erg handig maar kan voor het lezen wel moeilijkheden
opleveren. Vandaar dat de schrijver vaak voorstellen doet. Hier stelt de schrijver dus voor om je pink in de
vijfde positie te zetten (je kunt natuurlijk ook proberen om je vinger op de negende positie van de derde
snaar te zetten maar je zult zien dat dit niet erg handig is ;-).
Stel je wilt weten of je ook op de zesde snaar de E kunt spelen die genoteerd staat. Dan zou je kunnen
zeggen 'van E naar E is nul posities dus een open zesde snaar is ook een E'. Dat is waar en niet waar.
Het is inderdaad een E maar wel een E die op een ander positie op de notenbalk staat (Vergelijk figuur
4 uit de vorige les). Van de E op de zesde snaar naar de E op de eerste snaar is 24 halve noten (tel maar
uit als je me niet gelooft :-). In muziekwereld heet de sprong van 12 halve noten een octaaf. Van E
naar E loopt in dit geval over 2 octaven. Waarschijnlijk heeft jouw gitaarhals 19 of 22 posities dus zul
je dit niet halen. Maar het is toch al niet echt praktisch dus doe het zowiezo maar niet!
De volgende stap:

Dit moet geen problemen opleveren; een B en een verhoogde D dus een D#. Dat is dus de tweede
positie op de vijfde snaar en de vierde positie op de tweede snaar. Onthoud dat de D enkel gedurende
deze maat als een D# gelezen moet worden. In de volgende maat zijn alle D's weer D's.
Rest ons nog de laatste noten:

Dat is makkelijk om af te sluiten, een open A en een open E gevolgd door een F#.
Als we nu de juiste timing weten en het geheel vloeiend kunnen spelen dan speel je hier de eerste
maat van de Bourrée van Johann Sebastiaan Bach, een toch wel erg belangrijke componist!
Opmerkingen:
Een oplettende lezer zal gezien hebben dat er 5 kwartnoten in het muziek stuk staan. Hoe valt dit te rijmen
met het feit dat dit stuk een vierkwartsmaat heeft?
Dit komt omdat het muziekstuk wordt voorafgegaan door een opmaat. Deze bestaat uit de eerste twee
achtste noten (samen dus één kwart of één tel). Dit is dus geen echte maat en hoeft dus ook niet uit
4 kwartnoten (of tellen) te bestaan (maar wel altijd minder dan 4!).
Timing: Dit is nog een vak apart maar als je de vorige les hebt gelezen zou je kunnen achterhalen
dat je dit als volgt uittelt:

Gefeliciteerd! Met het nu geleerde kun je de theorie omzetten in de praktijk. Ik heb -zeer tegen
het copyright in- het eerste deel van de Bourree hier neergezet. Met het voorgaande als theorie
zou je het gehele stuk moeten kunnen ontleden / spelen. Het totale muziekstuk gaat nog
verder (en wees gewaarschuwd.. het gaat af en toe richting de 9de positie) maar daarvoor
zul je het toch echt moeten kopen bij de muziekhandel, anders krijg ik echt ruzie ;-).
Nog twee dingetjes.. de bourree is een dans en moet na oefening snel gespeeld worden (metronoom
richting de 160) en de bourree is onderdeel van een suite voor luit die geheel voor gitaar
beschikbaar is. Geen beginnersstof maar erg mooi en als persoonlijke aanrader zou ik eens
luisteren naar de uitvoering van Göran Söllscher op een speciale 10-snarige gitaar. Erg mooi!
Veel speel- en luisterplezier!
Het gehele eerste deel:

[bron: Suite in E minor for Lute BWV 996(Scheit, Karl) UE14473]
Deze les is ooit geschreven voor gitaarnet waar
je meer informatie en een forum over gitaarspelen kunt vinden.
|
|